Keukenkast

Keukenkast

Het is het uur van de eenzaamheid. In gewone huizen komen mensen nu thuis. Dat van haar blijft leeg met haar erin.
Ze bukt, doet de pannenkast open. Eigenlijk wil ze het kleine pannetje pakken. Maar ze zakt door haar knieën. Haar kin is op dezelfde hoogte als de kruidenmand. Zonder het zakje aan te raken, dringt de geur van kaneel in haar neus.
Oma. Woensdagmiddag. Vierkante keuken met rode plavuizen. Zelfgemaakte appelmoes met veel kaneel en suiker.
Ze slikt een mond vol speeksel door en rekt haar nek. Laurier. De kosterij. Stoofvlees dat sudderend op zaterdag de zondag aankondigde. Haar vader aan de telefoon met de dominee: ‘Gezang 11 vers 3 en 4. Psalm 119 vers 1 tot en met 7.’
Als hij vertrok om met houten cijfers en letters het opgegevene op de borden aan weerszijde van de kansel te zetten, riep haar moeder steevast: ‘Deur dicht! Ze hoeven niet te ruiken wat we eten!’
Op snelle voeten rende haar vader terug, smeet de deur tussen huis en kerk achter zich dicht en bleef de halve middag weg.
Ze kijkt naar rechts. Een scheefgezakt tafelwokstel – nooit gebruikt- bewijst dat ze ooit kerstpakketten kreeg. Hoog daarbovenuit troont het koffiezetapparaat. Stel dat, dacht ze, toen ze het minstens drie jaar geleden hier neerzette. Maar meestal stelde haar visite niet veel voor. Dat kon best met dure cupjeskoffie.
Haar knieën doen pijn. Ze schuifelt behoedzaam over het linoleum naar achteren.
Een flard kaneelgeur zegt haar gedag.

 

Dit korte verhaal heb ik voorgelezen in het programma ‘Thuis op 5’ van vrijdag 10 februari 2017.